Museale cinema wringt en schuurt

Video-installaties veranderen een museum in een bioscoop. Ik vind dat zelden prettig. EYE is een bioscoop, maar is ook museum. Werkt dat beter? Daar is tot 2 december ‘Expanded Cinema’ te zien, vier filmische installaties die de grenzen van een enkel filmdoek flink oprekken.

Begin jaren tachtig zag ik voor het eerst bewegende beelden in het Stedelijk Museum. Onder de monumentale trap, waar nu dat gezellige Familie Lab is, had het Stedelijk een zaaltje ingericht om videokunst te vertonen. Hoewel het artistieke aspect van die video’s me vrijwel altijd ontging, was het een fijn plekje om even uit te rusten van de wandeling door het museum.
Inmiddels lijkt het belang van bewegende beelden sterk toegenomen, met alle gevolgen van dien voor de inrichting van museumzalen. Vaak vraag ik me af: kom ik hiervoor wel naar een museum voor moderne kunst?

Verdonkerde hokken
Ik zal niet ontkennen dat video en film kunstuitingen zijn. En ik begrijp het ook als musea die kunstvormen tot de beeldende kunst rekenen. Toch heb ik mijn bedenkingen en ervaar ik video-installaties vaak als verstorend voor mijn kijkritme.
Als ik een zaal vol schilderijen en/of sculpturen inloop, dwalen mijn ogen rond en word ik naar links of rechts getrokken. Daar kijk ik zo lang ik wil voor ik doorloop en ook de rest van de werken bekijk; in mijn tempo, rustig als het me boeit, verveeld en snel als het me niet zint.
Zalen met video-installaties zijn anders. Ten eerste hebben curatoren daarvoor vaak de ruimte doorbroken. Zie bijvoorbeeld Beyond Imagination op de eerste verdieping van het Stedelijk. Daar is voor verschillende video-installaties een aantal verdonkerde hokken in de zaal gezet. Ik vind dat doodzonde, te meer omdat ander werk, met name die twaalf prachtige keramische vazen en potten van

Werk van Jennifer Tee in ‘Beyond Imagination’ in het Stedelijk

Jennifer Tee, daardoor nauwelijks ruimte hebben om te ‘ademen’.
Nog storender vind ik dat veel video-installaties een duidelijk begin en eind hebben. Ze hebben – hoe onbeholpen vaak ook – een kop en en staart. Dat schuurt op het moment dat je gaat kijken en constateert dat je binnenvalt op het moment dat een video halverwege is. Wat te doen? Blijven zitten, het tweede deel alvast zien en daarna het geheel nog eens van begin af aan? Of goed timen hoe lang de video nog duurt en ervoor zorgen dat je op tijd terug bent voor het begin. Welke oplossing ik ook kies, het doorbreekt het ritme waarmee ik door het museum struin. Opeens krijg ik van buiten een ritme opgelegd.
Inhoudelijk heb ik vaak ook de nodige twijfels. In Beyond Imagination draaien bijvoorbeeld twee video’s – ‘Diptych’ van Fiona Tan en ‘Rituals’ van Julika Rudelius – die vooral documentair van karakter

Een beeld uit ‘Rituals’ van Julika Rudelius

zijn. Het artistieke aspect ervan ontgaat me in beide gevallen. Nu lijkt het me verdedigbaar dat documentaires ook een kunstvorm zijn, maar zouden beide werken niet beter tot hun recht komen in het programma van de IDFA? Of bieden ze daarvoor weer te weinig informatie?
Bill Viola
Een enkele keer zie ik in een museum een video die voor mij wel optimaal werkt. In De Pont in Tilburg hangt bijvoorbeeld ‘Catherine’s Room’, een prachtig werk van Bill Viola. Het bestaat uit vijf vrij kleine

‘Catherine’s room’ van Bill Viola, te zien in De Pont in Tilburg

LCD-schermen naast elkaar. Elk scherm laat de handelingen en rituelen van een vrouw in een kamer zien tijdens vijf verschillende dagdelen; ochtend, middag, zonsondergang, avond en nacht. Er is geen begin en geen eind, de video’s lopen maar door. De ene keer volg je de vrouw geboeid tijdens haar ochtendritueel, even later wordt je oog getrokken door haar handelingen ‘s avonds. Het is zo’n prachtig werk, dat ik, toen ik onlangs in De Pont was voor de tentoonstelling van Anish Kapoor, me stiekem vooral verheugde om ‘Catherine’s Room’ weer te zien. En nee, hier geen verdonkerd hokje. De vijf schermen hangen gewoon naast elkaar op zaal en lijken van een afstand vijf schilderijen. Pas naderbij gekomen, zie je dat het om video’s gaat.

Filmmuseum
Sinds een paar maanden heeft Amsterdam een nieuw filmmuseum. Toen ik tientallen jaren geleden dat woord voor het eerst hoorde, kon ik me daar niets bij voorstellen. Film was toch pas zichtbaar als die vertoond werd? Wat moest ik me dan bij een filmmuseum voorstellen?
Inmiddels weet ik dat het filmmuseum in de eerste plaats een bioscoop is, met een voorkeur voor de ‘betere’ film. Waarbij je je dan weer moet afvragen wanneer een film tot die categorie behoort. O ja, er dan bestaat ook nog zo iets als ‘arthouse’ films. En die draaien in filmhuizen, wat eigenlijk ook gewoon bioscopen zijn, maar vaak met minder lekkere stoelen dan EYE heeft.

Expanded Cinema
Goed, EYE is dus een bioscoop, maar het is wel degelijk ook museum, met een echte museumzaal. En die is onder meer geschikt voor werken van filmers/kunstenaars voor wie dat ene witte doek of beeldscherm te beperkt is. ‘Expanded Cinema’ heet de tentoonstelling die ik er vorige week zag. Er zijn slechts vier werken te zien, maar daar ben je als bezoeker wel een kleine twee uur zoet mee. En wie de moeite doet het mooie gidsje met de af en toe wel erg gezwollen taal te lezen, mag er nog wel een uur bij optellen. Volgens dat boekje wordt er door de drie kunstenaars weer van alles onderzocht. Die dooddoener kennen we zo langzamerhand wel van veel andere musea. Een citaat: ‘Julien, Yang en Tan zijn ieder op hun eigen wijze verwikkeld in een vraag- en antwoordspel met de traditionele esthetiek van de filmhuisfilm…..’ Zucht, zucht, diepe zucht. Als de filmers al vragen stellen – wat ik op zich niet uitsluit – zie ik niet hoe de traditionele esthetiek daar dan antwoord op kan geven. Heeft de traditionele esthetiek een stem?
Dat neemt allemaal niet weg dat een bezoek aan ‘Expanded Cinema’ wel een bijzondere ervaring is. Een overeenkomst tussen (drie van de vier) werken is het gebruik van meerdere schermen tegelijk. Fiona Tan, overigens ook te zien in het Stedelijk, gebruikt er twee, die ruggelings tegen elkaar staan. Daardoor moet de toeschouwer kiezen: de close-up van boogschietende jonge Japanse vrouwen en hun concentratie op hun handeling, of het rumoer en het geroezemoes rond hen tijdens de voorbereidingen op dat boogschieten. Het zijn prachtige beelden, maar de meerwaarde van het gebruik van twee schermen ontgaat me, te meer daar de twee films niet even lang zijn.
De Chinees Yang Fudong gaat met zijn ‘The Fifth Night’ een stap verder. Hij zet zeven schermen naast elkaar. Op elk daarvan zien we hetzelfde plein, maar steeds vanuit een andere hoek gefilmd. Op dat plein lopen twee mannen en twee vrouwen rond, zonder enige vorm van contact. Schoorvoetend scharrelen ze over dat plein, terwijl ze doelloos rond kijken. Soms kijken twee personen elkaar van een afstand aan, soms lopen ze langs figuranten die op een bank zitten of in een openluchtsmidse werken. Verder gebeurt er helemaal niets. Een tijdje  is dat fascinerend, vooral ook omdat je niet weet naar welk scherm je wilt kijken. En omdat je soms de starende blik van een vrouw wilt volgen en maar moet uitzoeken op welk scherm het object van haar belangstelling te zien is.
De film (of moet ik zeggen: films) duurt iets meer dan tien minuten. Da’s niet zo lang, maar desondanks had ik moeite om te blijven kijken naar die traag en doelloos bewegende figuren. Even leefde ik op, toen op het meest linkse scherm een auto passeerde en deze even later successievelijk op elk van de andere schermen even is te was. Die voorbijrijdende auto – hetzelfde gebeurt later ook met een fietser – koppelt de zeven beelden in zekere zin aan elkaar. Alsof Yang Fudong wil zeggen: jazeker, er is wel degelijk een verband.

Meesterwerk?
Het meest spectaculaire onderdeel van ‘Expanded Cinema’ is ‘Ten Thousand Waves’ van de Brit Isaac Julien, dat zich uitspreidt over maar liefst negen schermen. Mark Moorman betitelde het in Het Parool als een meesterwerk. Ik vraag me dat af. ‘Ten Thousand Waves’ is in ieder geval wel overdonderend en zet de toeschouwer fysiek aan het werk. Want waar moet je gaan staan/zitten/liggen? Ik probeerde een optimale positie te vinden, maar er is geen plek vanwaar je alle schermen kunt zien. Dat dwingt tot een keuze. Is dat een meesterlijke vondst? Is wellicht de boodschap dat je hoe dan ook het hele verhaal nooit helemaal kunt volgen?

‘Ten Thousand Waves’ van Isaac Julien te zien in EYE

Julien speelt met de toeschouwer. Regelmatig laten alle schermen hetzelfde beeld zien, maar vaak zijn een aantal schermen zwart, waardoor de toeschouwer automatisch de blik richt op schermen die wel beeld vertonen. Dan zwelt plotseling vanuit een donkere hoek het geluid aan, zodat de toeschouwer die kant op kijkt, waar even later weer beelden te zien zijn. Ingewikkelder wordt het als schermen niet hetzelfde beeld tonen en de toeschouwer tot een keuze dwingt.
Het verhaal dat Julien vertelt is gruwelijk en poëtisch tegelijk. Kern ervan is de dramatisch  gebeurtenis in 2004 toen 23 illegale Chinezen immigranten voor de kunst van Engeland verdronken toen zij bij het verzamelen van kokkels door het tij werden overvallen. Julien laat beelden en geluiden zien en horen van de mislukte reddingsoperatie. Hij combineert dat drama met een Chinese fabel uit de 16e eeuw over de godin Mazu, die vissers op zee redt door ze naar het mythische eiland Yishan te leiden. Dat deel van de voorstelling is zonder meer prachtig dankzij de poëtische beelden van de zwevende godin (gespeeld door actrice Maggie Cheung) boven zee en boven de wolkenkrabbers van een Chinese metropool.
‘Ten Thousand Waves’ is geen helder verhaal met een kop en een staart, maar eerder een  filmisch gedicht over immigratie, het land van herkomst, dromen over een nieuw leven elders en ook over het maken van films. Want aan het eind van de 52 minuten durende beeldenexplosie neemt Julien de kijker nog even mee naar de studio voor een soort ‘the making of’. We zien Maggie Cheung in de studio in een trapeze hangen in haar witte gewaad. Zo werden dus de beelden van de zwevende godin gemaakt die Lucien later in zijn verhaal gebruikte.

Maggie Cheung in de trapeze voor opnamen voor ‘Ten Thousand Waves’

‘Ten Thousend Waves’ is fascinerend en de moeite waard, ook al omdat maar weinig filmmakers zich zullen wagen aan zo’n meerschermig project. Toch wringt en schuurt het ook. Ik betwijfel bijvoorbeeld of ik door de multiple screen projection actiever gekeken heb en of deze vorm mijn betrokkenheid vergroot. Want hoe prachtig en fascinerend de beelden ook zijn, ik werd niet geraakt en niet meegezogen in het verhaal, terwijl films en ook documentaires daar wel toe in staat zijn. Menig filmer/documentairemaker had slechts  één scherm nodig om mij mee te zuigen en opgetogen, vrolijk of boos te maken; of tot tranen te roeren.

Advertenties