Stedelijk (2): Wat hangt er allemaal wel niet?

Als een van de 63 vrijwilligers van het Stedelijk heb ik het thuis tegenwoordig over ‘we’ als ik het over het museum heb. ‘We zijn nu precies een maand open’, zei ik gistermorgen bijvoorbeeld, alsof ik – drager van badgenummer 374 – een maand geleden hoogstpersoonlijk de deuren van het slot had gedraaid. Inmiddels heeft het Stedelijk zo’n honderdduizend bezoekers binnen gehad. Waaronder een enkele zuurpruim.

Gisteren schreef Valentijn Byvanck in zijn rubriek ‘Museumbenen’ in de Volkskrant over de garderobes van musea. Hij vond dat de garderobe van een museum een flirtportaal zou moeten zijn. “Met frisse jonge buurmeisjes en buurjongens die bij het innemen van jassen en tassen aan de bezoekers vertellen welk topstuk ze moeten zien.”
Keep on dreaming, Valentijn! En kom vooral eens een middagje meedraaien in de garderobe van het Stedelijk!
‘Onze’ garderobe-bemanning bestaat uit twee betaalde medewerkers en twee vrijwilligers. Ik heb dat klusje inmiddels ook drie dagdelen mogen doen. Na afloop van vier uur pezen heb je geen poten meer om op te staan. Dat flirten dat Valentijn ons graag zou zien doen, daar is in het Stedelijk echt geen tijd voor. Je hebt al nauwelijks tijd om mensen veel plezier toe te wensen, laat staan om even naar hun gezichten te kijken. De tsunami aan jassen, paraplu’s en vreemde voorwerpen – tot aan zadels aan toe! – die ter bewaring worden aangeboden, is daarvoor te groot.
Twee weken geleden stootte een collega die net terug was van pauze me enthousiast aan: ‘Je hebt net een Bekende Nederlander geholpen!’, zei ze. Ik had geen idee, maar snel terugdenkend kon ik me voorstellen dat die vier sjieke jonge vrouwen met die overdreven grote zonnebrillen wellicht soapies waren. Maar nee, ik bleek de jas van Jack Spijkerman te hebben opgehangen maar was na afgifte van z’n nummer alweer bezig met de volgende klant; geen Jack gezien.

Crowd control – even wachten, want bij de garderobe staan ze te dringen

Overigens is het wel dankbaar werk. Al was het maar vanwege mensen als dat Engelse echtpaar dat twee loodzware koffers af kwam geven. Ze hoefden pas begin van de avond op Schiphol te zijn en wilden hun laatste Amsterdamse uren in het Stedelijk doorbrengen. Ik herkende mezelf; op stedentrip met nog een paar uur voor de thuisvlucht. Koffers in het hotel laten staan en straks ophalen? Maar redden we het dan nog? Nee, we nemen ze maar vast mee.
Er zijn musea waar ze koffers weigeren. Het Stedelijk niet. Glimlachend tilde ik me een breuk, waarvoor ik een gouden Engelse blik van dankbaarheid terugkreeg. Ha, toch een soort flirt, besefte ik terwijl ik alweer van een volgende bezoeker een drijfnatte paraplu aannam.

Lucebert?
De belangstelling voor het Stedelijk is de afgelopen maand constant groot geweest. Af en toe hoor ik hoeveel bezoekers er vandaag weer waren. Omgerekend naar een hele maand moeten dat er inmiddels zo’n honderdduizend zijn geweest. En allemaal met jassen, en vaak met bovenmaatse rugzakken of boodschappentassen.
Over het algemeen zijn de reacties van bezoekers erg positief. De meesten zijn vooral blij dat het Stedelijk weer open is. Die kan het bij wijze van spreken niet eens schelen wat er op zaal hangt. Maar er is uiteraard ook kritiek. Toen ik op een ochtend de info-balie bemande bij de groepsentree aan de Paulus Potterstraat, kwam een oudere man teleurgesteld het zaaltje van de Cobra-schilders uit. ‘Mijnheer’, sprak hij mij aan, ‘iedereen van Cobra hangt er, maar waar is Lucebert?’
Oeps, hangt ie er echt niet? Waarom eigenlijk niet, vraag ik me ook opeens af. Bij die geruchtmakende eerste Cobra-tentoonstelling destijds in 1949 hing toch ook werk van Lucebert? Dus ja, hij had niet misstaan in die overigens schitterend ingerichte zaal, vlak naast de oude entree.
‘Het spijt me, mijnheer. Het Stedelijk heeft een collectie van 90 duizend kunstwerken. Daarvan zijn er 2500 tentoongesteld. Dus ja, er zijn keuzes gemaakt.’
Ja, dat begreep die man wel. Maar waarom dan wel een heel zaaltje met werk van Constant?
Ik gaf hem gelijk; ik zag ook liever Lucebert dan Constant.
‘En wat vindt u dan van een hele zaal voor De Kooning’, waagde ik de man te vragen. ‘Dat is toch een vreselijk overschatte kunstenaar, met die flauwekul van dat blind boetseren?’
Tot mijn verbazing reageerde de man enthousiast instemmend. Hij was het helemaal met mij eens. En zo kletsten we een paar minuten over wie er nou wel en wie er nou niet in het museum had moeten hangen. We zijn tenslotte een land met 16 miljoen bondscoaches en op z’n minste een paar honderdduizend museumdirecteuren.
‘Moeilijk he, om keuzes te maken’, besloot de man, voor hij de oude trap opliep op zoek naar meer verrassingen en teleurstellingen.

En de Fauvisten dan?
Nauwelijks was de man verdwenen of een klassiek gesoigneerde dame met bontkraag, sprak me pruilend en enigszins op hoge toon aan: waar de fauvisten gebleven waren.
‘Nou mevrouw, boven hangt in ieder geval een monumentale Matisse’, probeerde ik, hoewel dat schitterende knipselwerk natuurlijk niets met fauvisme te maken heeft. De vrouw trapte er dan ook niet in. Echte Matisses wilde zij zien, en Braque, Kees van Dongen en Maurice de Vlaminck. Waar waren die gebleven?
‘Volgens mij hangt er boven wel een Braque, pal naast een Picasso’, sputterde ik tegen.
Nuffig wuifde ze dat weg, ‘Ja, een kubistisch werk. Zeg maar tegen je directie dat ik zwaar teleurgesteld ben.’ En op hoge poten beende ze weg.

Martha Rosler!
Wie is er ooit in een  museum voor moderne en hedendaagse kunst geweest waarin alles hem/haar beviel? Ik niet. Dat lijkt me nou juist de kracht van zulke musea: veelvormigheid. Want dat geeft bezoekers immers de optimale vrijheid om bijvoorbeeld De Kooning te versmaden en even later bij een Pollock in vuur en vlam te raken. En om minstens de helft van ‘Beyond Imagation’, de eerste tijdelijke tentoonstelling in het Stedelijk, tot grof vuil te bestempelen en bij de andere helft met open mond te blijven staan kijken. En om elders voor een grote verrassing te staan: die hier? Wat dat laatste betreft: zaal 1.21. Daar hangen fotocollages van Martha Rosler. Pas twee jaar geleden zag ik in Chicago voor het eerst werk van haar. Ik vond het schitterend. Nooit geweten dat het Stedelijk haar ook in de collectie had.

‘Nature Girls’ van Martha Rosler in zaal 1.21

In zaal 1.21 hangen maar liefst vijf, zes werken van Rosler. Allemaal hartstikke gedateerd qua thematiek (vrouwenrechten, pacifisme) – en techniek (met photoshop gaat het tegenwoordig allemaal veel makkerlijker), maar zo’n werkje als ‘Nature Girls’ uit 1966-1972, met al die yoga-standjes, dat ritme en die dynamiek, daar word ik echt vrolijk van.

Advertenties