Martin Visser: een voorbeeld voor musea?

In het Bonnefantenmuseum in Maastricht zijn tot en met 17 juni ruim honderd werken te zien uit de collectie van meubelontwerper en verzamelaar Martin Visser. De tentoonstelling is tot stand gekomen in samenwerking met het Kröller-Müller museum waar de collectie-Visser is ondergebracht. Vissers verzamelbeleid roept de vraag op of dat een voorbeeld kan zijn voor musea.


Martin Visser beschouwde zichzelf vooral als ‘verzamelaar’. Dat neemt niet weg dat hij boterhammen verdiende als inkoper bij de Bijenkorf en als meubelontwerper. Sterker, Visser heeft met zijn ontwerpen een plaats in de canon van de Nederlandse vormgeving verdiend. Het Bonnefantenmuseum toont voorbeelden van zijn meubels. Beroemd is de slaapbank BR02 uit 1958. Bezoekers van het ‘oude’ Stedelijk in Amsterdam kennen wellicht ook het bankje BZ. Dat ontwierp Visser op verzoek van Willem Sandberg ter gelegenheid van het 65-jarige bestaan van het Stedelijk Museum in Amsterdam. Ben benieuwd of we die bankjes vanaf 23 september terugzien in het vernieuwde Stedelijk.

Fondsen
Het verhaal over de collectie-Visser zet op diverse manieren aan het denken. Visser was geïnteresseerd in hedendaagse beeldende kunst. Hij was een van de eersten die het werk van de Cobra-groep kocht. Tien jaar later had hij de grootste Cobra-collectie in Nederland. Maar in 1955 verhuisde Visser naar Bergeijk naar een huis dat hij door Rietveld had laten ontwerpen. Daar kwam het Cobra-werk minder goed uit. Bovendien had Visser zijn belangstelling verlegd naar minimalisten als Piero Manzoni. Om fondsen vrij te maken, verkocht Visser bijna al zijn Cobra-werken.
De twaalf werken die Visser van Manzoni kocht, leidde zijn belangstelling naar minimal en conceptual art. Daarvan zijn in Maastricht fraaie voorbeelden te zien. Vooral Sol LeWitt is goed vertegenwoordigd. Dat rijmt lekker met het concept dat Sol LeWitt maakte voor de Cupola, de karakteristieke koepel van het Bonnefantenmuseum (zie ook: http://www.bonnefanten.nl/en/collection/current_presentations/spiral_sol_lewitt)

Invloed
Visser beperkte zich niet tot verzamelen, maar onderhield vriendschappen met vooral een aantal Amerikaanse minimalisten. De resultaten daarvan – brieven en ansichtkaarten – maken deel uit van de tentoonstelling. Het contact tussen Visser en de minimalisten voerde overigens belangrijk verder. Mannen als Sol LeWitt, Carl Andre, Dan Flavin en Bruce Nauman logeerden in Bergeijk, maakten er plannen voor nieuw werk dat dankzij bemiddeling van Visser in de plaatselijke metaalfabriek Nebato werd uitgevoerd. Een van de zalen van de tentoonstelling staat en hangt vol met werk dat in Bergeijk is ontstaan.

Conservator

Vissers groeiende reputatie in de Nederlandse kunstwereld leidde ertoe dat hij van 1978 tot 1983 hoofdconservator werd van Boymans-Van Beuningen. In die tijd verlegde hij voor de zoveelste maal zijn belangstelling. Dit keer richtte hij zich op de Duitse neo-expressionisten zoals Anselm Kiefer en Sigmar Polke. Maar hij kocht ook werk van Daan van Golden, een Nederlands conceptueel kunstenaar die graag leentjebuur speelde en materiaal uit andere kunstwerken gebruikte, zoals de parkiet uit het beroemde schilderij ‘La Perruche et la Sirene’ van Matisse.

Vragen
Vissers werkwijze roept een aantal vragen op. De man was particulier verzamelaar. Met werk dat hij kocht, kon hij doen wat hij wilde. Dus ook verkopen, om nog moderner werk te kopen en ‘on top of’ de kunstontwikkelingen te blijven. Want dat wilde hij blijkbaar.
Van musea voor moderne kunst wordt ook verwacht dat zij de kunst-ontwikkelingen nauwgezet volgen. Daar hebben zij geld voor nodig. Desondanks breekt de pleuris uit als een museum een werk verkoopt, zoals het Gouds Museum vorig jaar merkte toen het een doek van Marlene Dumas liet veilen. Het museum had het doek destijds met korting gekocht van de galerie van Paul Andriesse. De reactie van Dumas en haar galeriehouder verbazen me nog steeds: ‘Als wij een werk aan een museum verkopen, gaan we er van uit dat men het per definitie niet koopt om later te verkopen op de markt.’
Eigenaardig. Mij lijkt dat een eigenaar met een aankoop mag doen wat ie wil. Anders had de verkoper voorwaarden moeten stellen. Ongetwijfeld had/heeft galeriehouder Andriesse een verborgen agenda. Dat besef ik pas sinds ik onlangs het pamflet ‘De Ja-sprong’ van Anne Tilroe las. Daarin beschrijft zij mechanismen in de kunstwereld. Dankzij haar boekje vraag ik me af of het Gouds Museum door die veiling de waarde van werk van Dumas beïnvloed heeft en wellicht de verkoopbaarheid daarvan. En dat dat de boosheid van Andriesse verklaart.

‘La Perruche et la sirene’ van Henri Matisse

Werk van Daan van Golden, geïnspireerd op Matisse

Curator én verzamelaar
Vergelijkbare vragen zijn te stellen over werk van de vrienden van Visser. Minimal Art werd in Nederland snel populair bij de ‘culturele voorhoede’ (niet mijn term!). De bemoeienis van Visser  heeft ongetwijfeld de waarde van dat werk beïnvloed. Die invloed was er zeker ook toen Visser hoofdcurator was in Rotterdam én voor zijn eigen collectie werk kocht. Dat is in principe een gevaarlijke combinatie. Het is niet ondenkbaar dat de belangstelling (en dus de prijs) van werken stijgen dankzij de tentoonstellingen die hij in Boymans-Van Beuningen organiseerde. Eerst werk kopen en dat daarna vol in de spotlights zetten, is gebruik maken van voorkennis waarvoor je op de aandelenbeurs zwaar gestraft zou worden. Ik beweer overigens niet dat Visser zich schuldig maakte aan dit soort machinaties; slechts dat relaties tussen kunstenaars en museumcurators wellicht nodig zijn  maar ergens ook onwenselijk.

Overvloed
Dat brengt me bij het Stedelijk Museum in Amsterdam dat veel meer geld wil dan het van de stad krijgt. In de beschouwingen daarover las ik dat het Stedelijk zo’n 100 duizend werken in depot heeft. Dat is veel. En ongetwijfeld zit daar veel werk bij dat we de komende vijftig jaar nooit zullen zien. Wat is er tegen de verkoop daarvan? Een suggestie? Nou, voormalig directeur Rudi Fuchs was nogal gecharmeerd van Georg Baselitz. Naar verluidt onderhield Fuchs vriendschappelijke betrekkingen met hem. En ja, hij organiseerde tentoonstellingen rond Baselitz. Dubieus.
Vraag 1: hoeveel werk van Baselitz kocht Fuchs aan?
Vraag 2: is het werk van Baselitz in retrospectief werkelijk zo belangrijk?
Vraag 3: wat is er tegen uitdunning van de collectie van het Stedelijk? (als ik me niet vergis heeft het museum Van Goghs in bezit, terwijl honderd meter verder het Van Gogh Museum gevestigd is.)
Vraag 4: hoeveel werk van Mike Kelley gaat Stedelijk directeur Ann Goldstein kopen naar aanleiding van de heropeningstentoonstelling? Goldstein en Kelley kenden elkaar uit Los Angeles.

Informatie:
‘Martin Visser, verzamelaar, ontwerper, vrije geest’ is nog te zien t/m 9 september in het Bonnefantenmuseum in Maastricht

Advertenties