Nog 2 dagen vernikkelt Anton ‘O la la’ Martineau

Recensent Jos Bloemkolk ging er donderdag  in Het Parool terecht vanuit dat deze lezer Anton Martineau niet kende. Omdat Bloemkolk bovendien onomwonden schreef dat die eerste kennismaking hoognodig was, bezocht ik de Oude Kerk, midden in de rosse buurt. Daar zat Martineau zelf te vernikkelen, maar zijn humeur was er niet minder om. Haast u, zondag eindigt ‘O la la Martineau’!

Anton Martineau kent de Amsterdamse Wallen als zijn broekzak. Hij werd er in 1926 geboren als zoon van een huisschilder. Zijn moeder verdiende er wat bij als helderziende en rekende onder meer de meisjes van plezier uit de buurt tot haar clientèle. Niet zo gek dus dat hij juist hier exposeert. Zijn werk past er ook, met veel maar niet uitsluitend hoertjes in poses die weinig tot de verbeelding overlaten. Of juist wel! Op een van de schilderijen staan twee bedden met daarop respectievelijk een naakte vrouw en een naakte donkere man. De afstand tussen de bedden roept vragen op. Wat is dit: voorspel of naspel? En die rode taart op een ander schilderij met wederom een man en een naakte vrouw, maakt die ook deel uit van een spel?

Bescheiden
De verwantschap van Martineau met de Cobra-schilders en vooral met Lucebert is zichtbaar, maar Martineau besteedt meer aandacht aan details, aan de rand van een panty of een schouderbandje. We kunnen Martineau zelf naar die verwantschap vragen, want hij zit, dik in de tachtig, fier achter twee tafels met koopwaar: ansichtkaarten, catalogi en miniposters met beeldgedichten.
“Ja, met Lucebert ben ik veel opgetrokken. Ik ben maandenlang met hem door Frankrijk getrokken. Dan sliepen we ’s nachts in abri’s en zag ik hem met een kroontjespen gedichten schrijven.” Ze kwamen aan geld door op halve A4-tjes bidprentjes te tekenen van de heilige Anthonius en Cecilia en die aan de kerkgangers te verkopen.
Ook later was het schrapen voor Anton. “Maar als ik wat geld had, kocht ik in de eerste plaats  verf. Ondanks veel te lang piekhaar, lekkende schoenen en gaten in mijn sokken.”
Net als Lucebert is Martineau ook dichter, maar in tegenstelling tot de Keizer van de Vijftigers rees Martineau’s ster niet zo hoog. Is hij nooit jaloers geweest op de bekendheid van Lucebert,  als dichter en als schilder? “Nee hoor, want ik vond lang dat ik er nog helemaal niet aan toe was om werk tentoon te stellen of te publiceren. Ik vond mezelf niet goed genoeg. Maar misschien was ik wel te bescheiden.”

Orgasme

Neemt niet weg dat Martineau uiteindelijk wel degelijk exporteerde, zelfs in Parijs met grotere namen als Tapies en Saura. Desondanks is hij bij het grotere publiek onbekend gebleven.
Martineau lijkt zich zonder morren te schikken in dat lot. “Wat is het koud hier, he? En die dooien hier onder de grond komen ook geen warm handje toesteken.”
Hij lijkt te verlangen naar zijn atelier. “Schilderen is het mooiste dat er is. Alleen al zo’n verftube leegspuiten; dat is een orgasme! En dan moet het echte werk nog beginnen.”
In een oude catalogus van een tentoonstelling uit 2006 die ik van hem koop, krabbelt hij snel een tekeningetje. De schilder en zijn model, schrijft hij erbij. Het penseel van de schilder reikt uit naar de lippen van het model. Zo zoent Martineau, met zijn penseel.
Nog tot en met zondag is “O la la Martineau” te zien in de Oude Kerk in Amsterdam. Let vooral eens op zijn hommages aan Valazguez; die zijn prachtig!

Advertenties