Beroepskijkers hebben altijd (on)gelijk: A Bigger Picture (deel 2)

Twee weken geleden beloofde ik een vervolg op mijn verhaaltje over A Bigger Picture van David Hockney in Londen. Het was er nog niet van gekomen; uit twijfel over wat ik vijf weken geleden zag en een paar weken eerder had gelezen. En uit onzekerheid over de rol van de vijfde colonne van de kunst: de beroepskijkers, de critici.

Het had enige moeite gekost, maar we hadden kaartjes voor ‘A Bigger Picture’ in de Royal Academy, precies op de dag en het uur dat ons het beste uitkwam. Want ja, voor Circus Hockney werd zoveel toeloop verwacht, dat per uur een gelimiteerd aantal kijkers tot de kunsttempel werd toegelaten.
Zoals ik in mijn blog twee weken geleden al schreef, was ik vooringenomen over Hockney, omdat een tentoonstelling van hem in 1998 mijn stemming zo radicaal had veranderd.
Die vooringenomenheid was alleen maar gegroeid, puur door de voorpret en de geslaagde poging om kaartjes te bemachtigen.

Held
Meestal bereid ik me niet voor wanneer ik naar een tentoonstelling ga. Dit keer wel, als Pokon voor de voorpret. Zo ontdekte ik van alles over Hockney dat me buitengewoon beviel. Ten eerste dat de man op iPhone en iPad ‘schilderijen’ maakte met de app Brushes. Voor een ruim 70-jarige leek me dat behoorlijk vooruitstrevend. Puntje voor Hockney.
Ik ontdekte bovendien dat Hockney eerder de kopieermachine en de fax als kunstmedium beproefd had. Nog meer props voor Hockney! Nog afgezien van de resultaten stond het idee me aan dat die man nieuwe media onderzoekt. Ook die polaroid-collages waar ik twee weken geleden over schreef, waren het resultaat van onderzoekingen van Hockney.
Mijn vooringenomenheid groeide verder; Hockney was mijn held.

Secret Knowledge
Ik ontdekte vervolgens dat Hockneys onderzoekende geest in 2001 tot een kleine oproer in de kunstwereld had geleid. Toen publiceerde hij ‘Secret Knowledge’ waarin hij aantoonde – of dacht aan te tonen – dat kunstenaars in de renaissance optische hulpmiddelen, zoals de camera obscura, de camera lucida en allerlei spiegels, gebruikten om realistisch schilderwerk te maken. Daarmee haalde Hockney in de ogen van velen de groten van het canvas onderuit. Onzin natuurlijk, want zelfs mét hulpmiddelen zijn er nog genoeg artistieke beslissingen te nemen die een werk werkelijk interessant maken. Maar wederom een puntje voor de onderzoekersgeest van Hockney.
Tenslotte nog dit. Op de affiches voor A Bigger Picture liet Hockney drukken: ‘Alle werken hier zijn gemaakt door de kunstenaar zelf, persoonlijk.’ Dat was volgens kenners een sneer naar Damien Hirst die soms ruim honderd man personeel zijn ideeën laat uitvoeren. Hockney heeft ook een assistent, maar die zet slechts zijn doeken klaar en schiet te hulp als de wind met zo’n doek aan de haal dreigt te gaan.
Kortom, ook hier scoort Hockney wat mij betreft schitterend.

Angry Art Woman
In de weken voor ons vertrek naar London las ik recensies over A Bigger Picture in Engelse kranten. Die stemde niet optimistisch. Met name ene Brian Sewell slaagde er in The London Evening Standard in om onze voorpret flink te temperen, (http://bit.ly/HxzXoe) tot ik besloot dat de man een zuurpruim was en domweg geen gelijk kón hebben.
Ik had dat eerder meegemaakt. Ooit schreef Anna Tilroe (bijzonder hoogleraar Kunst en Cultuur aan de Radboud Universiteit Nijmegen) kunstrecensies voor de Volkskrant. Keer op keer vroeg ik me af of zij andere dingen gezien had dan ik. Ik was het zelden met haar eens. Sterker, op den duur maakte Tilroe me voortdurend kwaad, omdat ik het gevoel kreeg dat zij mij mijn museumbezoek wilde tegen maken.
Pas sinds kort besef ik dat Anna natuurlijk deel uit maakte van de kunstwereld en daarin een rol speelde. Zoals Damien Hirst de rol van pseudokunstenaar speelt (staaltje overacting), speelde Anna in mijn ogen de rol van angry art woman die niet makkelijk tevreden te stellen is. Het oproepen van boosheid bij onschuldige lezertjes hoorde bij die rol en had hetzelfde effect als een dolenthousiaste recensie: het onschuldige lezertje ging zelf kijken.

Schat
En dus, ondanks Brians stekelige verhaal ging ik blijgemoed Hockney in Londen bekijken. Ik werd niet teleurgesteld. Ik vond ‘A Bigger Picture’ geweldig! Alleen die kleuren al, en die overweldigende omvang van zijn werken. Ik blader nog regelmatig in de catalogus die ik koester als een schat. Maar intussen heb ik die recensie van Brian Sewell ook bewaard en net nog eens gelezen. Was het inderdaad allemaal veel te veel en veel te groot, dat nieuwe werk van Hockney? Is Hockneys gebruik van iPhone en iPad inderdaad een vorm van gemakzucht? Was dit recente werk van Hockney inderdaad geweigerd als het anoniem was ingestuurd voor de Summer Exhibition?
Mmm. Zou Sewell  gelijk kunnen hebben?
Of is het juist Brians bedoeling dat ik hartstochtelijk tegen hem in ga en Hockney te vuur en te zwaard verdedig? En dat ik daardoor nog meer into Hockney raak?

Betere ogen nodig?
Kijk, dat vind ik als amateurkijker nou zo lastig. Zie ik eindelijk kunst die ik begrijp en die me aanspreekt – mooie plaatjes, overweldigend groot – haalt zo’n beroepskenner het onderuit. Het vervelende is natuurlijk wel dat ieder tegenargument van mij zwaar gekleurd is. Mijn sympathie voor Hockney is zo groot, dat ik domweg niet objectiviteit kan zijn.
Hetzelfde geldt, realiseer ik me, natuurlijk ook voor mijn aversie tegen Damien Hirst, zijn practicum haai en zijn stippenbehangetjes.
Intussen vraag ik me af in hoeverre beroepskijkers wél objectief kunnen zijn. En of kennis voor beroepskijkers een last of een lust is. En of ik Hockney en Hirst nog eens zou kunnen zien voor wat ze werkelijk waard zijn? En wat daarvoor nodig is; betere ogen of een overtuigende gids cq kunstcriticus?

Advertenties